Koudewandeling

Sandra Rogiers Positivo Ofnie

Ik heb er best wel lang over gedaan om “nee” te leren zeggen. Soms heb ik er nog moeite mee, maar het lukt me steeds beter. Daar heb ik dan ook bewust heel erg mijn best voor gedaan.

Waar ik me niet echt bewust van was is dat ik nu al even aan het leren ben om af en toe ook “ja” te zeggen tegen dingen waar ik normaal in een automatisme “nee, dank u” zou gezegd hebben.
Soms kunnen “ja’s” het leven kruiden, of in elk geval een ervaring zijn, of je gewoonweg iets nieuws laten ontdekken.

Even de nood aan zekerheid, voorspelbaarheid, gewoontes, dit-ken-ik-en-is-veilig, comfort en wat nog meer aan de kant zetten. Vooroordelen ook, ergens.

Dit is al een tijdje gaande. Maar ik besefte het gisteren pas.
Ik ben niet gaan bungee-jumpen of zo, hoor (baby-steps, zeggen ze dan, ik begin iets kleiner). Een vriendin (diezelfde van dat ijsbad) had gevraagd om een koudewandeling te doen.

Nog niet zo lang geleden zou ik gedacht hebben: een beetje als twee zotten putje winter in short en T-shirtje gaan wandelen? Nee, dank u!
Maar deze keer was ik getriggerd. Waarom niet, eigenlijk?

Toegegeven, ik had gehoopt dat het zonnetje, dat ik de dag voordien zo mooi had zien schijnen, van de partij zou zijn, maar hé, dat zou de koudewandeling geen eer aandoen, hé.

Toen we aankwamen aan het bos begon het heel lichtjes te spetteren. Dat mocht de pret niet drukken, we begonnen eraan.

Eigenlijk viel het best wel mee. We stapten fiks door en babbelden over vanalles en nog wat. Enkel mijn armen en handen voelden ongelooflijk koud.

Na vijfentwintig minuten kwamen we terug bij de auto en we hadden beiden zoiets van, we hadden eigenlijk nog wel even kunnen doorgaan. Maar da’s blijkbaar iets waar je niet mee moet overdrijven. Als je te ver gaat bestaat de kans op onderkoeling, en da’s nu ook weer niet de bedoeling.
(We moeten ook niet stoer willen doen, hé.)

Zodra ik mijn trui en jas aanhad, leek het alsof ik mijn armen in een diepvries stak: alsof ik op slag tegelijk ijskoude én branderig aanvoelende armen had. Ging redelijk snel voorbij, hoor.

Thuisgekomen heb ik er, zoals aangeraden, voor gezorgd dat ik eerst goed warm kreeg. Droge, warme kleren, met een dekentje en een warme choco in de zetel. Een warme gloed verspreidde zich langs mijn ruggegraat omhoog.

Ik vond het leuk. Blij dat ik ja gezegd heb. Nóg een keer!

Ik kan natuurlijk zeggen dat het niet voor de leuk was, maar voor een onderzoek.

Welke stelling heeft het bij het rechte eind?
Die van “Doe maar je dikke jas en een sjaal en een muts en handschoenen aan, anders ga je ziek worden!”,
of die van “De weerstand mag af en toe getriggerd worden, daar wordt-ie sterker van!”?

Of is het, zoals vaak bij wetenschappelijke onderzoeken, een beetje van beide?

(Ik voel me vanochtend in elk geval prima! 🔥)