Zielig

Sandra Rogiers Positivo Ofnie

Ik had maandag een off-dagje. Zo’n blètdagje.

Het begon nochtans oké, hoor. Zodra Manlief naar zijn werk vertrokken was, begon ik met dweilen. Zo’n to do-lijst werkje dat ik al even uitgesteld had. De kids hadden de avond voordien al de voorbereiding gedaan: de één veegde, de ander kuiste de stoelpoten af en zo.

Het begon pas toen ik daarmee klaar was. Plots zo’n onbestemd, triestig, overweldigend, ik-weet-het-precies-niet-goed-gevoel.

Toen de kids opstonden verbeterde het er niet op. Heel raar, als ik alleen thuis ben heb ik dat quasi nooit, en eigenlijk heb ik dit nog nooit eerder gehad als de kinderen thuis waren, zelfs niet als ze de hele tijd boven zitten of lang in bed liggen, maar deze keer voelde ik me ineens heel eenzaam.

Gewoon, omdat mijn tieners zich als tieners gedragen. Eentje die geregeld de schouders ophaalt bij wat ik zeg of doe. Eentje die nog liefst van al op zijn kamer zit. Het feit dat wat we nog niet eens zo lang geleden samen leuk vonden nu stom, saai of niet interessant is. Kortom: het contact dat vermindert (achteraf kan ik zeggen: correctie, contact dat verandert!). Kan ik normaal wel tegen, da’s allemaal normaal, het zijn tenslotte tieners, ze veranderen, het is de bedoeling dat ze loskomen van hun ouders, maar deze keer om één of andere reden dus niet.

Ik voelde me eenzaam. Zo van wat doe ik hier dan eigenlijk…

En dan moest ik denken aan de dag voordien. Toen iemand commentaar had op mijn manier van opvoeden. Kan ik normaal goed plaatsen, hoor. Mensen reageren altijd vanuit wat ze zelf meegemaakt hebben, en vaak ook vanuit een willen helpen (oké, en soms ook vanuit denken dat ze het beter weten, maar ja). En elke ouder doet zijn best vanuit zijn eigen gevoelens en ervaringen.

Maar maandag kwam dat plots alsnog binnen. Boem!

Wat als ik echt niet goed bezig ben? Bereid ik hen wel genoeg voor op later als ze groot zijn?

Bovendien was ik nog steeds moe. Bekomen van een voor mij veel te drukke tijd duurde me te lang. Altijd maar moeten bijrusten als ik extra dingen plan.

Wat voelde ik me arme ikkig.

Bovendien zat maandag plots weer mijn rechteroor potdicht waardoor ik aan die kant weinig of niets hoorde en was tegelijk geluid weer gewoon keihard lawaai.

Zelfs ín mijn hoofd. Afwisselend leek het of iemand heel luid aan het tieren was, dat er een loeihard alarm afging, of dat er een vrachtwagen stationair stond te draaien, waardoor ik dus ook links veel slechter hoorde. Vervelend, hoor, telkens maar weer wablief moeten zeggen, telkens maar weer die geïrriteerde gezichten zien omdat ze het nóg maar eens moeten herhalen.

En wat een ongelooflijke kóppijn krijg ik van al dat lawaai! En wat vréét dat energie!

Wat als dat zo blijft? Wat als ik doof word?

Wat voelde ik me zielig.

Bovendien voelde ik me heel schuldig dat ik nogal wat bezoekjes en activiteiten uitgesteld heb, de laatste pakweg anderhalve maand, omdat ik dikwijls mijn eigen energie op de eerste plaats zette. Terwijl ik het heel goed tegen anderen kan zeggen: “Je kunt er niet voor anderen zijn als je er niet ook voor jezelf bent.”, en daar sta ik ook honderd procent achter, maar toch blijf ik het soms moeilijk vinden.

Zoals wanneer je al een maand niet bij je grootouders bent binnengesprongen, en dan die zondagavond gehoord hebben dat je pepé weer in het ziekenhuis ligt…

Ik heb een bezoekje wéér uitgesteld tot ik er naar mijn gevoel genoeg tijd en energie voor had, gisteren ben ik geweest.

Ik was eerlijk gezegd een beetje geschrokken. Hij wist eerst niet goed wie ik was. Ik dacht eerst nog dat het aan het maskertje lag, het is tenslotte moeilijker iemand te herkennen als je maar een half gezicht ziet, maar zelfs met mijn naam te zeggen viel zijn frank nog niet. Pas toen ik mijn vaders naam noemde zag ik herkenning in zijn ogen.

Ik heb geen zin om over de rest van dat bezoek te schrijven.

Naast dat gevoel van medeleven voor mijn grootvader had ik bij thuiskomst ook zoiets van: en dan zou ik klagen over mijn hoortoestand die al dagen blijft aanhouden…

Zielig, hoor.